Toespraak door Jan H. Warren op 6 februari 1945 bij de bijzetting van Huizinga’s stoffelijk overschot op de begraafplaats Heiderust te Rheden.
Toespraak bij de begrafenis van Prof. Johan Huizinga op het kerkhof Heiderust op 6 Februari 1945.
De bijzondere oorlogsomstandigheden hebben aan deze begrafenis het karakter gegeven van grooten eenvoud. Toch zijn wij hier allen vervuld met de gedachte dat we staan aan de lijkbaar van een uitzonderlijk groot man. Er was vastgesteld dat op deze begrafenis niet zou worden gesproken. Nu ik daartoe toch gemachtigd ben, lijkt het me passend dat kort te doen en met sobere woorden.
Er wordt hier een groot verlies geleden met de onherroepelijkheid van den dood. Door de wetenschap en heel Nederland door het verlies van een eminent geleerde, door zijn gezin door het verlies van een voortreffelijk vader en bemind echtgenoot, door zijn vrienden door het verlies van een trouw en vereerd vriend.
Het ligt niet op mijn weg, en ook niet in mijn macht hier de schetsen wat de wereld aan Huizinga verliest als schrijver en denker als opvoeder en geleerde. Anderen, meer bevoegden, zullen dat te zijner tijd zeker doen en zijn werken zullen zonder tijdgrens van zijn grootheid getuigen.
Ook ligt het niet op mijn weg te schetsen wat zijn kinderen in hem verliezen. Wanneer hij hier had kunnen zijn zou zijn zoon Leonhard dat zeker gedaan hebben en hij zal het diep betreuren daartoe niet in staat te zijn. Wat zijn verlies beteekent voor jou Goes als echtgenoot en voor Laura als vader, kunnen alleen zij beseffen die het voorrecht hadden jullie samen te zien. Bij de uitnoodiging met je kennis te komen maken noemde Han je “het nieuwe geluk” in zijn leven en dat was je in waarheid en je bent het gebleven tot het uur van zijn dood. De verzekerdheid daarvan en jullie beider diep …. en Godsvertrouwen je de kracht en de troost geven dit groote verlies te dragen en voor Laura moeder en vader beide te zijn.
Het is echter als vriend en clubgenoot dat ik hem hier wil herdenken, en dat ook namens alle nog in leven zijnde clubgenooten maar in de eerste plaats namens zijn intiemste vriend Van Valkenburg die het ook zeker diep zal betreuren hier niet op mijn plaats te mogen staan. Han jij was het sieraad en de trots van onze club. Ik zeg niet teveel als ik zeg dat bij iedere reünie wij allen om jouw tegenwoordigheid werden geëerd en benijd. Maar wat was dat uiterlijke weinig vergeleken met wat je buitengewone persoonlijkheid zelf ons schonk. Hoe onvergelijkelijk waren onze gesprekken met je gehouden, hoe onvergelijkelijk de geestigheden door je gedebiteerd, de uren met je doorgebracht. Wat was dat veel.
En dan Han je was trouw. Hoezeer overladen met werk en in beslag genomen door een veelheid van studie, hoezeer ook opgenomen onder de beroemdheden van deze wereld en in direct contact met de grooten van deze aarde, voor ons je vrienden, bewaarde je steeds die eenvoudige vriendschappelijkheid die een afspiegeling was van je hooge, zuivere, harmonische geestesgesteldheid. Voor die vriendschap, en het vele dat je voor ons was, breng ik je hier onzen dank en onze laatste ontroerden afscheidsgroet.
Nog een enkel woord voor ik hier voor altijd afscheid van je neem. Hoeveel je ook voor me geweest ben in de studentenjaren en op later leeftijd, sterker, dieper, persoonlijker aan onze vriendschap in de gymnasiastentijd. Allen wij die zoals ik het bijzondere voorrecht heeft gehad op te groeien met een buitengewone persoonlijkheid zoals jij natuurlijk ook toen al was, al wist ik het toen nog niet, wordt zich in latere jaren de geweldige invloed daarvan bewust. Eerst veel later heb ik geweten dat niemand in mijn leven meer richting heeft gegeven aan mijn voelen en denken dan jij.
Ook daarvoor breng ik je hier mijn dank. Nu ben je plotseling heengegaan. Onze wederzijdsche invaliditeit was een beletsel elkaar veel te spreken. Maar in mijn gedachtenleven heb je steeds een groote plaats ingenomen en dat zal je blijven doen ook na je dood.
Vereerde vriend, rust in vrede.
Bron: Leiden, UB, Huizinga-archief nr. 135 IV, nr. 7.1: fotokopie van het handgeschreven origineel.
Ter gedachtenis aan Johan Huizinga
Woensdag 7 februari 1946
De man, die heden voor de tweede maal grafwaarts gedragen wordt, had de soberheid en de eenvoud lief.
Alle praalzucht was hem vreemd. Geen ronkende zin is ooit uit zijn pen gevloeid en openlijk eerbetoon heeft hij nimmer gezocht.
Het gefluit van de merel vermocht zijn concentratie te doorbreken; het late licht van den avond was hem dierbaar en boven de majesteit van hooggebergte en bruisende watervallen schatte hij de pretentielooze schoonheid van het hollandsche landschap, zooals onze zeventiende-eeuwsche schilders het zagen.
Zou hij het waardeeren, als wij in dit oogenblik bovenal zijn groote gaven herdachten, zijn wereldreputatie, zijn triumftocht door Europa, of de onderscheiding die hij genoot ten hove?
Wij, die ons zijn vrienden mogen noemen, weten beter. De wetenschap der geschiedenis, welker beperktheid hij zich bewust was en gaarne beleed, was hem dierbaar en veel, heel veel van zijn leven heeft hij, haar dienend, geofferd; maar boven dit alles toch ging hem de liefde tot de zijnen en de vriendschap met hen, aan wier geest hij zich verwant kon voelen.
Hoe zijn wij allen, hier bijeen, ons dit bewust en hoe dankbaar zijn wij voor al hetgeen wij door en met hem mochten genieten.
Het talrijk gezelschap, de groote entourage waren niet de sfeer, waarin het zoo geheel eigene van zijn persoonlijkheid zich bij voorkeur openbaarde. Het was binnenskamers of op de wandeling met goede en beproefde vrienden, dat hij zich gaarne uitsprak.
Wie onzer herinnert zich niet gesprekken van intiemen aard, waarin ook het zwijgen een belangrijke rol vervulde?
Hij was mild in zijn oordeel over de menschen, hij kende de cultuur van den eerbied en aan wat hij bij anderen heilig wist zou hij nimmer raken.
Maar hij kon ook toornen, toornen over onrecht, over domheid en wanbegrip, over verwatenheid!
En… hij was moedig!
Hij bestond het den booze te weerstaan, óók toen het lichaam reeds wankel geworden was.
Hoe heeft hij niet, toen de Leidsche Universiteit, die hij hartstochtelijk liefhad, is hare grondslagen door den vijand werd aangetast, alle krachten van zijn sterken geest ingezet en te zijnen huize de medeleden der faculteit van letteren bezworen met hem tezamen pal te staan.
Wie hunner, die dit mede beleefd hebben, zullen ooit de woorden vergeten, die hij in dit hachelijk oogenblik tot hen richtte:
Wanneer het er straks op aan zal komen onze Universiteit en de vrijheid van de wetenschap in Nederland te verdedigen, dan moeten wij daarvoor alles overhebben: ons goed, onze vrijheid en zelfs ons leven.
Het leven is hem gelaten, de vrijheid echter is hem niet meer gegund.
De opsluiting heeft hem diep gegriefd, maar hij was niet verbitterd.
Wie hem later in zijn ballingschap aan den Gelderschen Veluwzoom bezochten vonden hem terug in ongebroken geestkracht en in alle mildheid van gemoed, die hem eigen waren.
De meest getrouwe vriend van zijn leven, de arbeid, was ook dáár met hem en vol hoop nog op de toekomst werkte hij aan wat hart en geest hem ingaven voor ons neer te schrijven als ‘oeuvre postume’.
Den eersten Februari van het verleden jaar is hij voor goed van ons heen en de eeuwigheid ingegaan.
Wij, die hem nastaren, weten hoe diep het besef van deze eeuwigheid in hem geworteld was. Het betrekkelijke der tijdelijke dingen, hoezeer deze zijn geest mogen vervuld hebben, was hij zich diep bewust, al heeft hij in zijn bescheiden voorzichtigheid er zelden van gewaagd.
Thans zijn voor hem opengegaan de verschieten van orde en harmonie, die de Heer van alle leven bereid heeft voor hen, die Hem hebben gediend en liefgehad.
Bron: J.A.J. Barge, toespraak bij de teraardebestelling van Huizinga op het kerkhof van het Groene Kerkje te Oegstgeest [Z.pl., z.j.].
Dr. Anton van der Lem
Scaliger Fellow, Leiden University Libraries
antonvanderlem54@gmail.com