LEVEN
Jeugdjaren en opleiding

Johan Huizinga is geboren op 7 december 1872 in de stad Groningen. Zijn vader Dirk Huizinga was er medicus en hoogleraar in de fysiologie aan de Rijksuniversiteit. Op het gymnasium was Johan – ‘Han’ voor zijn familie en vrienden – niet alleen de beste van zijn jaar, maar ook de enige die er de beginselen van het Arabisch leerde. Zijn weetgierigheid was zo groot dat hij gretig de boeken over antropologie verslond, die zijn vader voor hem uit de Universiteitsbibliotheek meenam.
            Des te opmerkelijker was het dat Johan, tegen het einde van het schooljaar, de wens te kennen gaf gedoopt te willen worden in de doopsgezinde gemeente van Groningen. Daarmee zette hij een eeuwenlange traditie voort, zoals vertegenwoordigd door zijn grootvader Jacob Huizinga, een doopsgezind predikant, die na zijn emeritaat in Groningen woonde. Met deze traditie had Johans vaders gebroken. In de belijdenis die Johan verplicht was te schrijven – helaas, tot nu toe niet teruggevonden – verenigde hij als het ware de beide werelden van zijn vader en grootvader. Blijkens het dagboek dat zijn grootvader bijhield was de belijdenis van Johan meer een filosofisch traktaat over vergelijkende godsdienstwetenschap, waarin het christendom en de doopsgezinden met ere vermeld werden, maar niet de vrome uitdrukking van de wens om het voorbeeld van Jezus Christus te volgen.
            Het was de hartenwens van Johan om oosterse talen in Leiden te studeren, wat zijn vader niet goedkeurde. Een dergelijke studie bood weinig kans op een maatschappelijke werkkring en bovendien was het te duur om in Leiden op kamers te gaan. In plaats daarvan begon hij in 1891 de studie ‘Nederlandse letteren’ in Groningen. Aantrekkelijk voor Johan was een verplicht onderdeel van deze studie: het Sanskriet. Hadden de meeste andere studenten hier grote problemen mee – hij gaf zich er helemaal aan over en promoveerde in 1897 op een onderwerp uit de Oudindische theatergeschiedenis: de komische figuur van de vidushakaaan de Indische hoven, die door zijn schijnbare dwaasheid een vorst tot wijze beslissingen kon brengen.
            Hij wijdde zich niet alleen aan de studie, maar ook aan het studentenleven en hij had bovendien een groot talent voor vriendschap. Johan was een actief lid van het studentencorps ‘Vindicat atque polit’, maakte tekeningen voor het corpsblad, droeg zorg voor de bibliotheek en hij was medeorganisator van de lustrummaskerade, waaraan hij zelf in een bescheiden rol meedeed. Met een andere groep studenten organiseerde hij tentoonstellingen van eigentijdse beeldende kunst. Allen waren verslingerd aan de letterkundige ‘Beweging van Tachtig’, waarin in de kunst om de kunst voorop stond. Zij kwamen tot bezinning in de jaren negentig, met de erkenning dat schilders en dichters ook een verantwoordelijkheid hadden jegens de maatschappij. Dit kwam tot uitdrukking het in het Nederlandse, geïllustreerde weekblad De Kroniek, waarin hij enkele kleinere bijdragen publiceerde. Aan het einde van zijn leven waardeerde Huizinga dit blad als het beste tijdschrift dat Nederland ooit bezeten had.
            Een van de mannen uit deze voornamelijk Amsterdamse kring werd een gewaardeerde vriend van Huizinga, André Jolles. Als een getalenteerde en gevatte geest, geïnteresseerd in zowel letterkunde als beelde kunst, werd Jolles een ideale partner voor Huizinga, om ideeën en meningen uit te wisselen. De contacten beperkten zich echter tot een onregelmatige correspondentie omdat Jolles eerst in Italië verbleef en na zijn huwelijk in het land van zijn vrouw: Duitsland. Persoonlijke bezoeken over en weer bleven zeldzaam.
            Met al zijn talenten had Johan Huizinga een stille hoop dat zich na zijn studie wel ergens een interessante, wetenschappelijke betrekking voor hem zou aandienen. Dat bleek niet het geval. Hij mocht al blij zijn dat hij benoemd werd tot docent geschiedenis aan de stedelijke hbsin Haarlem. Zonder de steun op de achtergrond van zijn Groningse hoogleraar in de geschiedenis, P.J. Blok, zou dat vermoedelijk nooit gelukt zijn.

Van filoloog en indoloog naar historicus

Pas toen hij zich voor zijn leraarsbaan moest verdiepen in de vaderlandse en algemene geschiedenis, heeft hij zich voor het eerst een algemeen overzicht van beide verworven. Het lesgeven was een heel corvee, maar hij bleef in Haarlem zijn aandacht aan het Sanskriet geven. Met de trein reisde hij naar Leiden om bij de in die tijd beroemde indoloog Hendrik Kern zich verder in het Sanskriet te bekwamen.
             Zijn persoonlijk leven werd veel gelukkiger toen hij in 1902 trouwde met Mary Vincentia Schorer, dochter van de burgemeester van Middelburg. Het werd een harmonieus huwelijk, waarin zij vijf kinderen kregen. Mary speelde piano, had een brede culturele belangstelling, en bezat de stijl en elegantie om te kunnen representeren. Onbedoeld stelde het door haar meegebrachte kapitaal Huizinga in staat om op dehbsminder les te geven. In 1903 werd hij toegelaten aan de Gemeentelijke Universiteit van Amsterdam als privaatdocent – een onbetaalde functie, bedoeld om iemand de mogelijkheid te geven zich wetenschappelijk te bewijzen en in aanmerking te komen voor een benoeming tot hoogleraar. Huizinga doceerde de taal- en oudheidkunde van Voor-Indië – het huidige India en Pakistan – maar het bleef een intermezzo van slechts twee jaar. Het gebrek aan vooruitzichten op een betaalde functie in die richting was niet bemoedigend. Belangrijker was het bij hem doorbrekende besef dat de geestelijke houding van Boeddhisme en Hindoeïsme als morele levensfilosofie voor hem persoonlijk tekortschoot. Hij (her)ontdekte de zedeleer van het Christendom als een geestelijke richtlijn voor leven en denken. Een onderhoud met zijn leermeester Blok bracht raad. Op diens advies richtte Huizinga zich op de bestudering van de oudste rechtsbronnen van de stad Haarlem, waaraan hij twee beknopte, maar fundamentele artikelen wijdde. Alsnog diende zich onverwacht een interessante wetenschappelijk functie aan, die hij van begin af aan had geambieerd: die van hoogleraar vaderlandse en algemene geschiedenis aan de universiteit van zijn vaderstad. Het was opnieuw het actieve optreden van P.J. Blok, door wie de benoeming tot stand kwam.

Cultuurhistoricus – Herfsttij der Middeleeuwen

In zijn jaren in Groningen had Huizinga een zekere voorkeur voor regionale geschiedenis, d.w.z. die van de noordelijke provincies van Nederland: Groningen en Friesland, niet alleen het onderwerp van verschillende artikelen, maar ook van zijn colleges. Toen in 1914 de Universiteit haar derde eeuwjaar zou vieren, werd van Huizinga verwacht dat hij de geschiedenis van de Universiteit zou schrijven tussen 1814 en 1814. Verborgen in de officiële uitgave van de Universiteit, bereikte zijn geschiedenis nooit het publiek dat deze verdiende en nog verdient. Huizinga zelf bleef het altijd als een van zijn beste werken beschouwen. Daarnaast moest hij zijn colleges voorbereiden in vaderlandse en algemene geschiedenis, zodat zijn lijst van publicaties in zijn eerste jaren in Groningen bescheiden bleef. In deze fase werd hij tot de orde geroepen door zijn oud-leermeester en raadgever Pieter Blok, die hem in 1908 aanspoorde eens met een echt grote studie te komen, iets bijzonders, iets dat iedereen verwachtte van zo’n getalenteerde onderzoeker, zo vertrouwd met zoveel onderwerpen.
            Tot Huizinga’s omslag van het Oosten naar het Westen had met name de tentoonstelling bijgedragen die hij in 1902 in Brugge had gezien: de eerste grote internationale expositie die een overzicht gaf van de zogeheten Vlaamse Primitieven, beter gezegd de Oudnederlandse schilderkunst uit de veertiende en vijftiende eeuw. Omstreeks 1907 besloot hij een grote studie te wijden aan de wereld waarin Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hugo van der Goes, Gerard David en Dieric Bouts en vele anderen hadden geleefd. Hij baseerde zich in de eerste plaats op de kronieken, gedichten en theologische werken uit die tijd, maar recent onderzoek laat zien dat hij ook kennis nam van wat Belgische en Franse historici schreven over dit zogeheten Bourgondische tijdvak in de geschiedenis. Deze periode had in de Nederlandse geschiedschrijving, met de traditionele voorkeur voor Tachtigjarige Oorlog en Gouden Eeuw, nauwelijks aandacht gekregen. Anders dan internationale kunsthistorici uit zijn tijd wilde Huizinga laten zien dat deze schilderkunst geen noordelijke Renaissance vormde, maar een culturele bloei was die een einde betekende. Zijn eigenzinnige these, de uitvoerige documentatie uit literaire en godsdienstige bronnen, zijn belangstelling voor de emoties van de mensen, zijn inlevingsvermogen en suggestieve stijl resulteerden in het magistrale Herfsttij der Middeleeuwen(1919). Het gaf hem binnen enkele jaren – in 1924 verschenen de eerste vertalingen in het Engels en het Duits – de faam van een Europees cultuurhistoricus te zijn, waarbij algauw de vergelijking met Jacob Burckhardt werd gemaakt.
            Belangrijker en ingrijpender dan het succes van Herfsttij was echter het persoonlijke drama dat zich in de wordingstijd van dit boek afspeelde. Zijn echtgenote Mary Vincentia Schorer bleek een tumor in hersenen te hebben, waaraan ze na een lang en smartelijk ziekbed op 21 juli 1914 overleed. Sinds die dag was Huizinga vader en moeder tegelijk voor zijn gezin van vijf kinderen. Later dat jaar aanvaardde hij de benoeming tot hoogleraar algemene geschiedenis in Leiden, waar hij begin 1915 begon. Plichtsbesef jegens zijn kinderen, zijn hoogleraarschap en de wetenschap bleven de belangrijkste drijfveren voor zijn werk. Daarbij had hij de steun van twee Nederlandse kunstenaars, ‘wier vriendschap ik verwierf in de dagen dat ik die het meest nodig had’, de schilder Richard Holst en diens echtgenote, de dichteres Henriette Roland Holst-van der Schalk. In de uitgave van Huizinga’s briefwisseling zijn hun brieven aan hem het meest talrijk. Dat zijn brieven aan hen vernietigd zijn, is een onherstelbaar verlies voor de kennis van Huizinga’s persoonlijk leven. De portretschilder Jan Veth en de Leidse hoogleraar in de rechten Cornelis van Vollenhoven, waren twee andere dierbare vrienden. Deze vier vrienden deelden in Huizinga’s verdriet toen hij zijn tweede grote verlies te dragen had – op 20 maart 1920 verloor hij zijn zoon Dirk, die op vijftienjarige leeftijd overleed aan een nieraandoening.

Uit Huizinga’s Leidse periode dateren twee functies die als het ware voortkwamen uit zijn aanleg, ambitie en belangstelling. Van 1916 tot 1933 was Johan Huizinga redacteur van het toonaangevende, algemeen culturele maandblad De Gids.Van 1929 tot 1942 was hij voorzitter van de afdeling Letterkunde van de Koninklijke Academie van Wetenschappen (KNAW). Na de verschijning van zijn Herfsttijin 1924 en de publicatie van Erasmusin het Engels en Nederlands in 1926, werd hij ook een veelgevraagd spreker – een onofficieel ambassadeur van Nederland in de omringende landen. Eveneens in 1926 werd hij de Nederlandse vertegenwoordiger binnen het Amerikaanse Laura Spellmann Rockefeller Memorial, bedoeld ter bevordering van de sociale wetenschappen. Met geleerden uit andere Europese landen maakte hij een reis van drie maanden door de Verenigde Staten. Met twee van hen zou hij zijn verdere leven bevriend blijven: de Brits-Poolse antropoloog Malinowski en de Italiaanse econoom Einaudi.

Cultuurcriticus en cultuurfilosoof

In 1933 haalde Huizinga de internationale pers toen hij als rector magnificus van de Leidse Universiteit tijdens een internationale studentenconferentie – van Nederlandse, Duitse, Franse en Engelse studenten – met beslistheid optrad tegen de Duitse delegatieleider. Dit was geen geleerde maar een man van het ministerie van propaganda van nazi-Duitsland, Johann von Leers. Deze bleek de auteur te zijn van een antisemitische brochure, waarin hij christenmoeders waarschuwde tegen de vermeende rituele moord op hun kinderen door joden. Huizinga deelde de man de ‘afschuw van de Academische Senaat’ mee en ontzegde hem de verdere toegang tot de universiteit. De conferentie brak daardoor eerder af, onder veel misbaar van nationaalsocialistische zijde.
            In hetzelfde jaar trad André Jolles toe tot de NSDAP en in oktober verbrak hij zijn vriendschap met Huizinga. Na vele wisselvalligheden was Jolles in 1918 hoogleraar Nederlands in Leipzig geworden. Hoewel zijn suggesties en initiatieven Huizinga hebben aangetrokken en soms richtinggevend waren, was Jolles zelf niet in staat zijn ondernemingen tot een goed einde te brengen. De brieven door Huizinga aan Jolles geschreven, zijn door deze vernietigd, vermoedelijk in 1933. Niettemin schreef Huizinga aan het einde van zijn leven dat hij over zijn vriendschap met Jolles een heel boek zou kunnen schrijven.
            Een jaar later, toen Huizinga in Italië een lezing gaf over de Nederlandse cultuur van de zeventiende eeuw, zag hij daar affiches hangen met een uitspraak van de fascistenleider Mussolini: ‘Het beginsel van het fascisme is heroïsme, dat van het burgerdom egoïsme’. Als waarschuwing tegen wat in Duitsland en Italië aan de gang was, publiceerde Huizinga in 1935 een klein boek dat een groot succes zou worden: In de schaduwen van morgen: een diagnose van het geestelijke lijden van onze tijd. Hierin beschreef hij bovendien de bedenkelijke ontwikkelingen in de democratische staten, ook in Nederland: de afstompende werking van de dagbladpers, de radio en de bioscoop. Hij bekritiseerde de nivellerende politiek, waarbij het systeem van evenredige vertegenwoordiging bij elke verkiezing tot dezelfde stembusuitslag kwam. Het boek gaf Huizinga de naam behalve een historicus ook een cultuurcriticus te zijn, op wie totaal verschillend werd gereageerd. De mensen links van het centrum meenden dat Huizinga zijn eigen tijd niet meer begreep. Tegelijkertijd was Huizinga door zijn kritische en consistente tijdsbeschouwingen een welkom lid van de Internationale Volkenbondscommissie voor Intellectuele Samenwerking, waarin hij Nederland vertegenwoordigde tijdens lange vergaderingen in steden als Parijs, Geneve en Boedapest.
            Tegelijkertijd werkte hij aan een grote cultuurfilosofische studie die net als Herfsttij der Middeleeuweneen toonbeeld was van gedurfd denken en geweldige eruditie: Homo ludens: proeve eener bepaling van het spelelement der cultuur(1938). Hierin betoogde hij niet dat het spel onderdeel is van de cultuur, maar dat alle cultuur zijn oorsprong vindt in het spel: de godsdienst, de rechtspraak, de oorlog – het leven zelf. Zijn kennis en liefde voor taalkunde en antropologie, vergelijkende godsdienstwetenschap en geschiedenis, zoals hij die sinds zijn jeugdjaren demonstreerde, mondden uit in dit tweede grote meesterwerk.
            De laatste jaren van de voltooiing van zijn Homo ludensbrachten ook het persoonlijk geluk weer terug. Auguste Schölvinck, dochter uit een Amsterdams patriciërsgeslacht, op aandringen van Huizinga’s dochters aangesteld als hoofd van zijn huishouden, had vele kwaliteiten die hij ook in zijn eerste vrouw had gevonden. Het leeftijdsverschil vergaten zij beiden – naar zijn zeggen. Zij trouwden op 4 oktober 1937 en hun huwelijk werd op 4 november 1941 gezegend met een flinke dochter, Laura Maria, de dagelijkse troost van Huizinga’s laatste jaren.

De laatste jaren

Nergens in zijn brieven of papieren heeft Huizinga geschimpt op ‘de Duitsers’. Wanneer hij al uiting gaf aan zijn opgekropte ergernis, was dat altijd op ‘de vijand’, of ‘de bezetter’. Het protest van de Leidse universiteit, bij monde van prof. R.P. Cleveringa, tegen het ontslag van joodse leden van de academische gemeenschap, bracht de bezetter tot de sluiting van de Leidse universiteit. In 1941 publiceerde Huizinga zijn Nederland’s beschaving in de zeventiende eeuw. De grote deugden uit het Nederlandse verleden – ‘de wil tot daden, het besef voor recht en redelijkheid, de barmhartigheid, de vroomheid en het Godsvertrouwen’ – moesten zijn landgenoten een voorbeeld blijven.  
            De bezetting kreeg voor hem pas persoonlijke consequenties toen hij samen met acht andere Leidse hoogleraren op 8 augustus 1942 werd gearresteerd en overgebracht naar het zogeheten gijzelaarskamp Beekvliet, gevestigd in een voormalig rooms-katholiek seminarie te Sint-Michielsgestel (kortweg Gestel), ten zuiden van Den Bosch. Hier onderging hij drie maanden gelaten maar vol moed zijn gedwongen internering. De gijzelaars hielden elkaar bezig met discussies, voordrachten, concerten e.d. Een hoogtepunt was 3 oktober 1942, toen Huizinga zijn rede hield ter herdenking van Leidens ontzet in 1574, de bevrijding van de toenmalige vijand. Zijn slechte gezondheid leidde tot zijn vrijlating eind oktober. Hij mocht niet naar Leiden terugkeren, maar diende zich te vestigen in Gelderland of Overijssel. Het aanbod van Cleveringa, die een tweede huis bezat in het dorp De Steeg, ten oosten van Arnhem, om hier te gaan wonen, nam hij met beide handen aan. Op 7 december 1942 ontving hij er ter gelegenheid van zijn zeventigste verjaardag zijn kinderen en kleinkinderen en kreeg hij er tal van felicitaties en huldeblijken van familieleden, vrienden, collega’s en oud-studenten.
            In 1943 schreef hij in de rustige en prachtige omgeving van De Steeg zijn Geschonden wereld, een kleine geschiedenis van Europa vanuit de gedachte hoe diep de mensheid kon zinken en naar zijn mening gezonken was. Hij wanhoopte niet aan de toekomst van de wereld maar waarschuwde dat na het herstel van de staatkundige vrijheid – die hij tergend langzaam zag komen – er nog een enorme taak op de mensen zou komen te rusten om ook de geestelijke vrijheid en de oude normen en waarden te herstellen.
            Daarop liet hij nog een autobiografisch essay volgen waarin hij beschreef hoe hij na al zijn belangstelling voor antropologie en vergelijkende godsdienstwetenschap, Arabisch en Sanskriet, toch bij de geschiedenis terecht kwam: Mijn weg tot de historie. Beide werken verschenen pas na de bevrijding, die Huizinga zelf niet zou meemaken. Honger en gebrek heeft het gezin niet gekend, maar de operatie Market Garden bracht het oorlogsgevaar angstwekkend dichtbij. Eind 1944 verwoordde Huizinga in elf gebeden hoe zij baden tot de ‘Almachtige God’ om hun behoud en dat van het vaderland. Nog in januari 1945 stelde hij hoopvol een concept op voor de proclamatie van de Leidse Universiteit na herwinning van de vrijheid. Op 1 februari 1945 was het een stille dood die hem zijn bevrijding bracht.

Jaartallen

1872 — Geboren te Groningen (7 december).

1874 — Overlijden van zijn moeder, Jacoba Huizinga-Tonkens (15 juli).

1876 — Zijn vader hertrouwt, met Harmanna Margaretha de Cock (26 juli).

1879 — Onder de indruk van de studentenmaskerade (24 september).

1884 — Krijgt van zijn grootvader ‘Gedenkstuk’ (2 juni).

1885 — Naar het gymnasium (september) — Op tekenles (oktober) — Geboorte halfbroer Herman Huizinga (11 november).

1889 — Lid van de gymnasiastenvereniging ‘Eloquentia’ (9 maart).

1891 — Belijdenis en doop in de doopsgezinde gemeente (15 maart) — Eindexamen gymnasium (25 juni) — Begint studie Nederlandse letteren te Groningen (september).

1893 — Kandidaatsexamen cum laude (26 oktober).

1895 — Doctoraal examen (5 juni) — Schrijft zich in te Leipzig voor het wintersemester in de vergelijkende taalwetenschap (29 oktober).

1896 — Ontvangt getuigschrift van de studie te Leipzig (3 maart).

1897 — Door de Haarlemse gemeenteraad gekozen tot leraar geschiedenis aan de stedelijke HBS (7 april) — Promoveert cum laude te Groningen tot doctor in de letteren (28 mei) — Afgekeurd voor de schutterij (10 juli) — Begint zijn betrekking als leraar. — De vidusaka in het Indisch tooneel

1899 — Woont in Rome het Internationale Oriëntalistencongres bij (oktober) — Hendrik Kern

1902 — Huwelijk te Middelburg met jkvr. Mary Vincentia Schorer (24 maart); huwelijksreis naar Italië — Bezoekt met Mary de tentoonstelling van Vlaamse Primitieven te Brugge (zomer) — Eindigt als tweede op de voordracht voor een lectoraat in het Sanskrit aan de Rijksuniversiteit Utrecht (najaar) — Zijn halfbroer Herman doet zelfmoordpoging (31 december).

1903 — Overlijden van Herman (6 januari) — Toegelaten als privaat-docent in de oudheid- en letterkunde van Voor-Indië, aan de Gemeente-Universiteit van Amsterdam (16 januari) — geboorte dochter Elisabeth (19 maart, †)) — Overlijden vader Dirk Huizinga (15 mei) — Spreekt openbare les uit als privaat-docent (7 oktober).

1904 Over studie en waardeering van het Buddhisme Van den vogel Charadrius

1905-1914 — Hoogleraar algemene en vaderlandse geschiedenis te Groningen.

1905 — Geboorte zoon Dirk (5 januari, † 20 maart 1920) — Aanvaardt het hoogleraarschap met inaugurele rede (4 november) — Het aesthetische bestanddeel van geschiedkundige voorstellingen(1905, oratie) — De opkomst van Haarlem

1906 — Geboorte zoon Leonhard (3 augustus, † 9 juni 1980).

1907 — Heeft in of omstreeks dit jaar zijn ‘ingeving’ langs het Damsterdiep.

1908 — Geboorte zoon Jakob Herman (17 juni, †) — Bezoek aan Henri Pirenne te Gent (23 april).

1910 — Overlijden van zijn tweede moeder H.M. Huizinga-de Cock (20 januari) — De jaarstijl van Haarlem

1911 Rechtsbronnen der stad Haarlem Uit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef

1912 — Geboorte dochter Hermanna Margaretha (21 augustus, † 11 januari 1988).

1913 De beteekenis van 1813 voor Nederland’s geestelijke beschaving Philip Sidney-herdenkingsrede

1914 — Overlijden Mary Vincentia Huizinga-Schorer (21 juli) — Benoemd tot hoogleraar algemene geschiedenis te Leiden (28 oktober). — Geschiedenis der universiteit gedurende de derde eeuw van haar bestaan, 1814-1914

1915 — Houdt zijn inaugurele rede te Leiden (17 januari) — Betrekt de woning te Leiden, Witte Singel nr. 74 (1 mei; hernummerd in nr. 32 op 1 mei 1924) — Neemt de uitnodiging aan redacteur te worden van De Gids (september) — Over historische levensidealen

1916 — Benoemd tot lid van de Koninklijke Akademie van Wetenschappen (28 april) — De kunst der Van Eyck’s in het leven van hun tijd

1918 Mensch en menigte in Amerika

1919 Herfsttij der Middeleeuwen

1920 — Overlijden zoon Dirk (20 maart)

1924 — Erasmus — Eerste vertalingen van Herfsttij in het Duits en het Engels

1925 — Overlijden van zijn vriend Jan Veth (1 juli).

1926 — Reis door de Verenigde Staten (14 april-19 juni) — Tien studiën

1927 — Amerika levend en denkend Leven en werk van Jan Veth

1929 — Voorzitter afdeling Letterkunde van de Koninklijk Akademie (11 november) — Cultuurhistorische Verkenningen

1930 — Erepromotie prinses Juliana (31 januari) — Gastdocent aan de Sorbonne te Parijs (april-mei) — Lezingentournee door Nederlands-Indië (december-2 mei 1931)

1932 — Lezingen in Keulen, Marburg en Münster (januari) — Neemt het rectoraat van de universiteit op zich (29 oktober) — Alanus de Insulis

1933 — Willem van Oranje-herdenking aan de Leidse Universiteit (6 januari) — Breekt in snikken uit om het plagiaat van Colenbrander (13 januari) — Lezingen te Berlijn (27 en 28 januari) — Houdt rectorale rede bij de dies natalis van de Universiteit (8 februari) — Ontzegt de nazi Von Leers de toegang tot de Universiteit (11 april) — Overlijden Cornelis van Vollenhoven (29 april) — Overlijden Percy S. Allen (16 juni) — Draagt het rectoraat van de Universiteit weer over (18 september) — André Jolles verbreekt zijn jarenlange vriendschap met Huizinga (9 oktober) — Lid Commission Internationale de Coopération Intellectuelle (oktober) — Holländische Kultur des siebzehnten Jahrhunderts Uitzichten: 1533, 1584 Over de grenzen van spel en ernst in de cultuur Die Mittlerstellung der Niederlande Burgund. Eine Krise des romanisch-germanischen Verhältnisses Een praegothieke geest: Johannes van Salisbury

1934Voordrachten aan de zomeruniversiteit te Santander in Spanje (23-27 juli) — Nederland’s Geestesmerk

1935 — Spreekt te Brussel over ‘Crisis der cultuur’ (8 maart) — Verhuist naar Slingelandtlaan nr. 4 (19 december) — In de schaduwen van morgen Abaelard

1936 — Spreekt op de Studentenconferentie te Woudschoten (Zeist) ‘over historische belangstelling’ (17 maart) — Wijdt in dit vierde eeuwjaar van Erasmus’ dood verschillende voordrachten en artikelen aan Erasmus.

1937 — Officiële getuige bij het huwelijk van prinses Juliana en prins Bernhard (7 januari) — Rede ‘The Play Element of Culture’ voor het Warburg Institute te Londen (23 februari) — Uitreiking eredoctoraat te Oxford (27 februari) — Huwelijk te Leiden en Amsterdam met Auguste Schölvinck (4 oktober) — De wetenschap der geschiedenis

1938 — Overlijden Richard Roland Holst (31 december) —Homo ludens

1940 — Verklaring bij de aanvang van zijn colleges (17 september) — Joodse medewerkers aan de universiteit van hun functie ontheven (23 november) — Protestrede van R.P. Cleveringa (26 november) — De bezetter sluit de Universiteit (27 november)

1941 — Geboorte dochter Laura Maria (4 november) — Nederland’s beschaving in de zeventiende eeuw Over vormverandering in de geschiedenis

1942 — In een slee naar de geheim gehouden diesviering te Oegstgeest (8 februari) — Dient ontslag in als hoogleraar (29 april) — Genoodzaakt zijn voorzitterschap van de Akademie van Wetenschappen neer te leggen (1 mei) — Ontslagen als hoogleraar (1 juni) — Als gijzelaar overgebracht naar Sint-Michielsgestel (7 augustus) — Spreekt in Sint-Michielsgestel over ‘Leidens ontzet’ (3 oktober) — Vrijgelaten, op voorwaarde zich te vestigen in Gelderland of Overijssel (25 oktober) — Vestigt zich in De Steeg (10 november)

1943 — Woont diesviering bij te Laag Soeren (8 februari) — Vergadering in De Steeg over de toekomst van de Universiteit (28 februari) — Schrijft Geschonden wereld (postuum verschenen na de bevrijding in 1945) — Schrijft Mijn weg tot de historie (verschenen in 1947)

1944 — Woont diesviering bij te Hummelo (8 februari) — Schrijft elf gebeden (12 oktober-11 november, verschenen in 2016)

1945 — Overleden in De Steeg (1 februari) — Tijdelijk bijgezet in een grafkelder te Rheden (6 februari)

1946 — Herbegraven bij het Groene Kerkje te Oegstgeest (27 februari)

 

Kalendarium

Over het leven van Huizinga worden vele vragen gesteld. Heeft hij ooit Thomas Mann ontmoet? Of de Engelse mediëvist Eileen Power? Is hij in Rusland geweest? Of in Bologna? Waar is hij allemaal geweest en wanneer? Wie heeft hij allemaal ontmoet, waar en wanneer? Enzovoorts. Voor de uitgave van de Briefwisseling is daarom een kalendarium opgesteld, als hulpmiddel om de brieven te annoteren en eventueel ongedateerde brieven te dateren. Sindsdien is dit overzicht bijgehouden, nu om als hulpmiddel voor iedereen te gelden: Huizinga-kalendarium.

Het overzicht streeft naar volledigheid, die natuurlijk niet te realiseren is. Brieven zijn in dit overzicht niet vermeld, maar opgenomen in de Inventory of the Correspondence of Johan Huizinga.

Bibliotheek

Huizinga’s eigen bibliotheek had een bescheiden omvang en beperkte zich tot wat er in zijn studeerkamer paste. De foto op de homepage geeft een beeld van zijn studeerkamer op zijn laatste adres in Leiden, Van Slingelandtlaan 4. Zijn boeken zijn na zijn overlijden verdeeld tussen de kinderen, al naar gelang hun belangstelling of eenvoudig als een aandenken aan hun vader. Het merendeel van de boeken is verkocht aan de Leidse antiquaar Vosmaer, die – zo gaat het verhaal – ze lange tijd voor zichzelf heeft bewaard en heeft voorzien van zijn eigen ex-libris. Een boek met ex-libris van Vosmaer kan dus eerder in het bezit zijn geweest van Huizinga. Deze boeken zijn tijdens het leven van Vosmaer en ook na zijn dood in de handel gekomen.

Universitaire Bibliotheken Leiden probeert de boeken nu voor zover dat mogelijk is te herzamelen en dankt de kinderen, kleinkinderen en andere schenkers voor hun medewerking aan deze reconstructie. Boeken uit Huizinga’s bibliotheek kunt u vinden via de online catalogus van UBL. Zoek daar met plaatsingscode HUIZIN 2001 of hoger, of met de signatuur gevonden in de lijst. De boeken worden uitsluitend ter inzage gegeven in de Leeszaal Bijzondere Collecties.

 

LIFE
Youth and education

Johan Huizinga was born on 7 December 1872 in Groningen in the north of the Netherlands.  His father Dirk Huizinga was a doctor and professor of physiology at the State University of Groningen. Johan – ‘Han’ to his family and friends – was not only the best in his year at high school (gymnasium), but also the only pupil to attain a rudimentary knowledge of the Arabic language. Eager to learn, he greedily devoured the books on anthropology which his father brought him back from the University Library.
            It was all the more remarkable then,, that in his final year at college, young Johan expressed his wish to be baptized in the Mennonite community of Groningen. In doing so he continued a centuries-old family tradition, as still represented in the figure of his grandfather, who was a Mennonite pastor living in retirement in Groningen. This was a tradition which Huizinga’s father had broken with. In the confession Johan was obliged to write – alas, not yet traced – he united as it were both worlds of the father and the grandfather. According to his grandfather’s diary, Johan’s confession was more a philosophical treatise on comparative religion, in which Christendom and the Mennonites were mentioned with honour, but not a truly pious expression of the intent to follow the example of Jesus Christ.
            It was Johan’s fondest wish to study oriental languages in Leiden, but his father did not approve. Such a course of study would have made it almost impossible to make a professional career, not to mention that it would be too costly to rent rooms in Leiden. Instead, he started the study of ‘Dutch letters’ at Groningen in 1891. Compulsory in this program was the study of Sanskrit, in which Johan took particular delight. Most of the other students had great problems in learning this language, but he dedicated himself entirely to it. In 1897 he obtained his Ph.D.-degree on a theme from the Old-Indian history of theatre: the comical figure of the vidushakaat the Indian courts who, despite his apparent foolishness, could advise his king and help him to make wise decisions.
            He was not only dedicated to his study: he was also fully involved in student life, and had a great talent for friendship. Johan was active as a member of the students’ union ‘Vindicat atque polit’, making drawings for the union’s periodical, taking care of its library, and helping to organize the five-yearly masquerade, in which he took part in the parade himself in a modest role. With another group of students he organized exhibitions of contemporary art. All of his circle were addicted to the Dutch literary movement of the 1880s, which advocated the expression of art for the art’s sake. They adopted a different position in the 1890s, recognizing that painters and poets also had a responsibility towards society. These views were expressed in the Dutch illustrated weekly De Kroniek, to which Johan made several small contributions. At the end of his life, Huizinga described this periodical as the best the Netherlands had ever had.
          One of the men from this mainly Amsterdam circle became a valued friend of Huizinga’s, André Jolles. A talented and witty spirit who took interest in both literature and art, Jolles became an ideal partner for Huizinga to exchange ideas and opinions. Contacts were to be limited to irregular correspondence, however, because Jolles lived first in Italy, then after his marriage in his wife’s homeland of Germany. Personal visits remained rare.Talented as he was, Johan Huizinga secretly hoped that on finishing his studies, an interesting professional position would open up for him somewhere. This proved not to be the case. He had to content himself with the post of teacher of history at the municipal secondary school (‘hbs’, where no Greek and Latin was taught) in Haarlem, capital town of the province of North-Holland. And had he not been backed by Pieter J. Blok, his professor of history at Groningen University, he would probably not have been successful.

Philologist and Indologist turning into an historian

Having to teach Dutch and general history in this role, Huizinga now thoroughly acquainted himself with both for the first time. Teaching as such was quite a task, but he also continued to devote himself to the study of Sanskrit. From Haarlem he regularly travelled to Leiden to gain experience under the guidance of the famous Dutch Indologist of the time, Hendrik Kern.
            In his personal life, he became a much happier man when he married, in 1902, Mary Vincentia Schorer, daughter of the mayor of Middelburg, capital town of the province of Zeeland. They had a harmonious marriage, which produced five children. Mary played the piano, had broad cultural and social interests, and was both stylish and elegant. One unintended consequence of the marriage was that thanks to Mary’s financial circumstances, it became possible for Huizinga to teach fewer at his school. In 1903 he was permitted to teach the literature and antiquity of India at the Municipal University of Amsterdam, as a privaat-docent, i.e. an unsalaried university teacher, a function in which one could demonstrate one’s professional qualities, and present oneself unofficially at a later date as a candidate for a university chair. It proved to be an intermezzo of just two years. Having no prospect of paid employment in this field of study was discouraging. More importantly, it became apparent to him that the spiritual attitude of Buddhism and Hinduism as a moral philosophy of life no longer satisfied him. He (re)discovered Christian moral philosophy as a source of spiritual guidance for life and thought. He discussed his situation with his former professor Blok, now professor at Leiden University. On Blok’s advice, Huizinga dedicated himself to the study of the oldest juridical history of Haarlem, and published two short but fundamental articles on the subject. Quite unexpectedly, an interesting professional opportunity now came up, which is what he had sought all along: the chair of Dutch and general history in his native town of Groningen. Once again, it was the active commitment of professor Blok which secured Huizinga’s appointment.

The historian of culture – Herfsttij der Middeleeuwen

In his years in Groningen, Huizinga had a certain preference for studies of the region and locality, i.e. the northern provinces of the Netherlands: Groningen and Friesland were the subject, not only of various articles, but also of his university lectures. When in 1914 the University celebrated its third centenary, Huizinga was called upon to write the institution’s history from 1814 to 1914. Hidden away in the official publication of the University, this work never reached the broad audience which it deserved, and still deserves: Huizinga always considered it one of his best works. Besides that, he had to prepare his lectures in both Dutch and in general history, so during the first years in Groningen his list of publications remained relatively modest. At this point, in 1908, a wake-up call came from his old professor and advisor Pieter Blok, who urged him to come up with a really great study, something truly special, something which everyone might expect from such a talented scholar, at ease in so many fields.
            Huizinga’s turn from East to West owed much to a major medieval art exhibition which was put on in Bruges in 1902: the first large-scale exposition to survey the work of the so called Flemish Primitives, also known as Early Netherlandish painting, from the fourteenth and fifteenth centuries. Mindful of  Blok’s insistent prod, Huizinga decided to dedicate a great study to the world in which Jan van Eyck, Rogier van der Weyden, Hugo van der Goes, Gerard David and many other contemporaries had lived. In the first instance he worked on the chronicles, poetry and theological works of that era, but recent studies have demonstrated how much he also learned from what contemporary Belgian and French historians were then writing about this so-called ‘Burgundian era’ in history. In Dutch historiography, with its traditional preference for the Eighty Years’ War (‘Dutch Revolt’) and the ‘Golden Age’, this period had barely received any attention at all. Against foreign art historians, Huizinga wished to demonstrate that the arts of the Burgundian period were no ‘northern Renaissance’, but instead a cultural flourishing that represented the end of an era. His bold thesis, the extensive documentation drawn from literary and religious sources, his interest in people’s emotions, his empathy and suggestive style resulted in his masterly book, Herfsttij der Middeleeuwen(1919). When, in 1924, the first translations appeared in English and German, his fame as a European historian of culture – comparable to Jacob Burckhardt – began to spread.
            In his personal life, it was infinitely more important and disturbing that his wife Mary turned out to have developed a brain tumor, which proved to be incurable. After a long and heart-rending illness she died on 21 July 1914. From that day on, Huizinga was both father and mother to his five children. At the end of the year he accepted a proposal from Blok, once again, to become his colleague for the teaching of general history at Leiden, where he started in January 1915. Love and a sense of duty for his children, a sense of responsibility in general and his love for history itself remained the driving forces behind his family life and his scholarly work. He was mentally supported by two Dutch artists, ‘whose friendship I gained in the days I mostly needed them’, the painter Richard Roland Holst and his wife, the poet Henriette Roland Holst-van der Schalk. Their letters to Huizinga are the most numerous in the edition of Huizinga’s correspondence. That his own letters to them have been destroyed is an irreparable loss for our knowledge of Huizinga’s personal life. The portrait painter Jan Veth and the Leiden professor of Law Cornelis van Vollenhoven were two other close friends. These four shared Huizinga’s sadness when he suffered his second great loss, on 20 March 1920, when his oldest son Dirk died prematurely at the age of fifteen of a kidney disease.
            Dating from his Leiden period are two other functions which fell to him on account of his experience, ambition and interests. From 1916 to 1933, Huizinga was one of the editors of the leading cultural monthly of the Netherlands, De Gids(The Guide). Having been elected as a member of the Royal Academy of Sciences [of the Netherlands] (KNAW) in 1916, Huizinga was president of the department of Literature from 1929 till 1942. After the publication of Herfsttijand Erasmusin various European languages, he was often invited to give lectures in the surrounding countries as a kind of unofficial ambassador of the Netherlands. In 1926 he became the Dutch member of the American Laura Spellmann Rockefeller Memorial, established to advance the study of social sciences. Together with scholars from other European countries, he participated in a journey across the U.S.A. Two of the party became his lifelong friends: the British-Polish anthropologist Bronislaw Malinowski, and the Italian economist Luigi Einaudi.

Criticism and philosophy of culture

As rector magnificusof Leiden University in 1933, Huizinga made international news when he took a decisive stand against the leader of the German delegation at an international student conference in Leiden , attended by English, French, German and Dutch students. The leading delegate in question was not a professional scholar, but a functionary of the ministry of propaganda of Nazi Germany, Johann von Leers. He turned out to have been the author of an anonymous anti-Semitic pamphlet in which he warned Christian mothers against the supposed ritual murder of their children by Jews. Huizinga expressed to Von Leers the horror of the Senate of the University at his authorship of the text, denied him the further access to the conference, and refused to shake hands. The conference came to an untimely end, after much outcry from the national-socialists.
            In the same year André became a member of the NSDAP and in October he broke the friendship with Huizinga. After many vicissitudes Jolles had been appointed professor of Dutch at Leipzig University. Although his suggestions and initiatives may have attracted and sometimes guided Huizinga, Jolles himself was not capable to achieve the things he set out to do. The letters written by Huizinga to Jolles were destroyed by him, probably in 1933. All the same, Huizinga vouched at the end of his life that he could write an entire book on his friendship with Jolles.
            One year later, while in Italy to lecture on Dutch culture in the seventeenth century, Huizinga took note of election posters quoting an expression attributed to the Italian fascist leader Mussolini: ‘The principles of fascism is heroism, the principles of bourgeoisie is egoism’. As a warning against what was happening in Germany and Italy, Huizinga published a small book in 1935 that proved to be a great success: In de schaduwen van morgen: een diagnose van het geestelijk lijden van onze tijd.He also commented on dubious developments in democratic states, including the Netherlands: the debilitating influence of the daily press, radio and cinema. He criticized the system of proportional representation, resulting in the same outcome at every election. This book earned him the reputation of being not only a historian, but of being a cultural critic as well, which produced totally different reactions. Readers on the left of the center were of the opinion that he did not understand his own times anymore. But at the same time, his critical and consistent comments led to Huizinga becoming a valued member of the International Commission for Intellectual Cooperation of the League of Nations. While part of this Commission, he represented the Netherlands during long meetings in cities such as Paris, Geneva and Budapest.
            At the same time, he was preparing a great work of cultural philosophy which, much like Herfsttij, turned out to be a paragon of courageous thinking and enormous erudition: Homo ludens: proeve eener bepaling van het spelelement der cultuur(1938). In this book he asserted that play is not just a part of culture, but, on the contrary, that all culture finds its origin in play: religion, law and justice, war, life itself. In this daring second masterpiece, he now brought together his knowledge of and love for philology and anthropology, comparative religion and history which he had demonstrated ever since his youth..
            While completing Homo ludens, his personal happiness was also restored. At the suggestion of Huizinga’s daughters, Miss Auguste Schölvinck, from an Amsterdam patrician family, became the head of his household, and she turned out to possess many of the qualities which Huizinga had found in his first spouse. They both soon forgot the difference in their ages – as he put it. They married on 4 October 1937 and their marriage was blessed on November 4th, 1941 with a gorgeous little girl, the daily happiness of Huizinga’s final years.

His final years

Nowhere in his letters or papers does Huizinga simply blame ‘the Germans’. If ever he expressed his true feelings, it was always against ‘the enemy’, or ‘the occupier’. After the public protest led by prof. R.P. Cleveringa of Leiden University against the dismissal of the Jewish members of the academic community, the occupier closed the University. In 1941 Huizinga published his Nederland’s beschaving in de zeventiende eeuw. The great virtues of the Dutch past – ‘the will to act, the sense of justice and reason, charity, piety and faith in God’ – had to remain exemplary to his countrymen.
            On 8 August 1942 the occupation finally had personal consequences for him when he was arrested, along with eight other Leiden professors. They were transported to the so-called ‘hostage camp’, housed in a former roman catholic seminary in St. Michielsgestel (for short: Gestel), a village south of Den Bosch. For three months he experienced forced internment there, with courage and without complaint. The hostages entertained each other with discussions, lectures, concerts, etc. It was a memorable event when, on 3 October 1942, Huizinga gave a lecture to commemorate the relief of Leiden in 1574, when liberation from the enemy at that time occurred. Because of his bad health, he was released at the end of October. He was not allowed to return to Leiden, however, but had to look for lodgings in Gelderland or Overijssel. He gratefully accepted the invitation of his aforementioned Leiden colleague, Cleveringa, to live there as long as would be necessary in the second home he had in the village of De Steeg, east of Arnhem. It was here, on the occasion of his seventieth birthday on 7 December 1942, that Huizinga received his children and grandchildren, as well as an abundance of congratulations and tributes by friends, colleagues and former students.
            In the quiet and beautiful surroundings of the De Steeg he wrote his Geschonden wereld, a succinct history of Europe informed by his view of how deep humanity could sink, and indeed had sunk, in his opinion. He did not despair for the future of the world, but warned that once political freedom was restored – a restoration he knew would come, however distressingly slowly – humanity would have to face the enormous task of restoring not only spiritual freedom, but also ethical standards and values.
            Next came his autobiographical essay, in which he recounted how, despite all his interest in anthropology and comparative religion, in Arab and Sanskrit languages, he had finally preferred to teach history: Mijn weg tot de historie. Both of his last books were published after the liberation of the Netherlands, which Huizinga would not live to see. His close family did not suffer from hunger or hardship, but Operation Market Garden brought the dangers of war alarmingly close to home. At the end of 1944, Huizinga wrote down eleven prayers beseeching the ‘Almighty God’ for their and their country’s salvation. As late as January 1945, he hopefully drew up a plan for the proclamation of Leiden University, once freedom was regained. On 1 February 1945 a quiet and peaceful death brought him release.

Dates

1872 — Born in Groningen (7 December)

1874 — Death of his mother, Jacoba Huizinga-Tonkens (15 July)

1876 — Second marriage of his father, to Harmanna Margaretha de Cock (26 July)

1879 — Impressed by the historical masquerade of the Groningen students  (24 September)

1884 — Receives from his Mennonite grandfather a handwritten  ‘Gedenkstuk’, a moral admonition (2 June)

1885 — Starts secondary school (‘gymnasium’) (September) — Starts drawing lessons (October) — Birth of his half-brother Herman Huizinga (11 November)

1889 — Becomes member of the debating club at secondary school ‘Eloquentia’ (9 March)

1891— Confession and christening in the Mennonite community of Groningen (15 March) — Final examinations  at secondary school (25 June) — Starts study of ‘Dutch Letters’ at State University  Groningen (September)

1893 — Bachelor examination, cum laude (26 October)

1895 — Masters examination (5 June) — Matriculation at Leipzig University for the winter term in comparative linguistics (29 October)

1896 — Receives a certification for his studies in Leipzig (3 March)

1897 — Appointed by the town council of Haarlem as teacher in history at the municipal secondary school (‘hbs’)  (7 April) — Receives his Ph.D.-degree cum laude in Groningen as Doctor of Letters (28 Mai): De vidusaka in het Indisch tooneel — Declared unfit for military service (10 July) — Starts his job as a school teacher (1 September)

1899 — Attends the International Conference of Orientalists in Rome (October). — Hendrik Kern

1902 — Marriage in Middelburg to Mary Vincentia Schorer (24 March); honeymoon in Italy — Visit with Mary to the exhibition of Flemish Primitives in Bruges (summer) — Ends up second in the nominations for a lectureship in Sanskrit at the State University of Utrecht (autumn). — Attempted suicide of his half-brother Herman (31 December)

1903 — Death of Herman (6 January) — Admitted at the Municipal University of Amsterdam as a ‘privaat-docent’ (private university teacher) in the antiquity and literature of India (16 January) — Birth of his daughter Elisabeth (19 March, † 11 August 1995) — Death of his father Dirk Huizinga (15 May) — Delivers his first official lecture as a private university teacher (7 October): Over studie en waardeering van het Buddhisme

1904 — Van den vogel Charadrius

1905-1914 — Professor in general and Dutch history at the State University of Groningen

1905 — Birth of son Dirk (5 January, † 20 March 1920) — Starts as a University professor with his inaugural lecture (4 November):  Het aesthetische bestanddeel van geschiedkundige voorstellingenDe opkomst van Haarlem

1906 — Birth of son Leonhard (3 August, † 9 June 1980)

1907 — Around this time, experiences his ‘ingeving’ while walking along the Groningen Damsterdiep-canal

1908 — Birth of son Jakob Herman (17 June, † 1 March 1994) — Visit to Henri Pirenne in Gent (23 April)

1910 — Death of his stepmother H.M. Huizinga-de Cock (20 January). — De jaarstijl van Haarlem

1911 — Rechtsbronnen der stad HaarlemUit de voorgeschiedenis van ons nationaal besef

1912 — Birth of daughter Hermanna Margaretha (21 August, † 11 January 1988)

1913 — De beteekenis van 1813 voor Nederland’s geestelijke beschavingPhilip Sidney-herdenkingsrede

1914 — Death of Mary Vincentia Huizinga-Schorer (21 July) — Appointed as professor of general history at the State University of Leiden (28 October). — Geschiedenis der universiteit [van Groningen] gedurende de derde eeuw van haar bestaan, 1814-1914

1915 — Inaugural lecture in Leiden (17 January):  Over historische levensidealen — Takes up residence at Leiden, at Witte Singel nr. 74 (1 May; renumbered to nr. 32 on 1 May 1924) — Accepts an invitation to become an editor of the Dutch cultural monthly De Gids (September). —1916 — Appointed to the Koninklijke Akademie van Wetenschappen (28 April). — De kunst der Van Eyck’s in het leven van hun tijd

1918 — Mensch en menigte in Amerika

1919 — Herfsttij der Middeleeuwen

1920 — Death of son Dirk (20 March)

1924 — Erasmus appears in both Dutch and English — First translations of Herfsttij into German and English

1925 — Death of his friend the painter Jan Veth (1 July)

1926 — Journey across the United States (14 April-19 June). — Tien studiën

1927 — Amerika levend en denkendLeven en werk van Jan Veth

1929 — President of the department of Literature of the Royal Academy (11 November). — Cultuurhistorische Verkenningen

1930 — Confers as promotor at Leiden University an honorary degree upon Princess Juliana (heir to the throne) (31 January) — Visiting professor at the Sorbonne in Paris (April-May) — Lecturing tour in the Dutch East-Indies (Indonesia) (December-2 May 1931)

1932 — Lectures in Cologne, Marburg and Munster (January) — Becomes for one year rector of Leiden University (29 October). — Alanus de Insulis

1933 — Commemoration at Leiden University of the fourth centennial of the birth of Prince William of Orange (6 January) — Moved to tears on account of the plagiarism of Pirenne perpetrated by his colleague and friend Herman Colenbrander (13 January) — Lectures in Berlin (27 and 28 January) — Delivers the rectoral address at the dies natalisof Leiden University (8 February): Over de grenzen van spel en ernst in de cultuur  — Denies access to Leiden University to the German Nazi Johann von Leers (11 April) — Death of his friend Cornelis van Vollenhoven (29 April) — Death of his friend Percy S. Allen (16 June) — Resigns as rector of the University (18 September) — His almost lifelong friend André Jolles, having become a member of the Nazi-party, ends their friendship (9 October) — Member of the International Commission for Intellectual Cooperation (October). — Holländische Kultur des siebzehnten JahrhundertsUitzichten: 1533, 1584Die Mittlerstellung der NiederlandeBurgund. Eine Krise des romanisch-germanischen VerhältnissesEen praegothieke geest: Johannes van Salisbury

1934 — Four lectures at the Summer University of Santander in Spain (23-27 July). — Nederland’s Geestesmerk

1935 — Lecture in Brussels on ‘Crisis der cultuur’ (8 March) — Moves to Slingelandtlaan nr. 4 (19 December). — In de schaduwen van morgenAbaelard

1936 — Lecture at the Student Conference in ‘Woudschoten’ (conference center in Zeist, prov. Utrecht) ‘over historische belangstelling’ (17 March) — Delivers various lectures and articles for the commemoration of Erasmus, who died this year four centuries earlier

1937 — Attends the marriage of Princess Juliana and Prince Bernhard as one of the official witnesses (7 January) — Lecture on ‘The Play Element of Culture’ at the Warburg Institute in London (23 February) — Receives an honorary degree at Oxford (27 February) — Marriage in Leiden and Amsterdam to Auguste Schölvinck (4 oktober). — De wetenschap der geschiedenis

1938 — Death of his friend, the Dutch artist Richard Roland Holst (31 December). — Homo ludens

1940 — Makes a statement when starting his lectures for the first time after the invasion by Nazi-Germany (17 September) — Dismissal of all the Jewish colleagues at the University by the Nazi-government (23 November) — Public lecture of protest against this by the professor of law R.P. Cleveringa (26 November) — Closure of Leiden University by the Nazi-government (27 November)

1941 — Birth of daughter Laura Maria (4 november). — Nederland’s beschaving in de zeventiende eeuw Over vormverandering in de geschiedenis

1942 — Attends the celebration of the dies natalis in Oegstgeest (8 February) — Asks to be dismissed as a university professor (29 April) — Forced to withdraw as president of the Akademie van Wetenschappen (1 May) — Dismissed as university professor (1 June) — Arrested and transported as a hostage to an enforced period of residence in Sint-Michielsgestel (near Den Bosch) (7 August) — Lecture in Sint-Michielsgestel on the siege and relief of Leiden in 1574 (3 October) — Set free, on the condition he take lodgings in the province of Gelderland or Overijssel (25 October) — Takes lodgings in De Steeg, a village east of Arnhem (10 November)

1943 — Attends the celebration of the dies natalis in Laag Soeren (8 February) —Meeting at his house in De Steeg on the future of Leiden University (28 February) — Writes Geschonden wereld (published posthumously after the liberation of the Netherlands in 1945) — Writes Mijn weg tot de historie (published in 1947)

1944 — Attends the celebration of the dies natalis in Hummelo (8 February) — Writes eleven prayers (12 October-11 November, published in 2016)

1945 — Dies at De Steeg (1 February) — Temporarily interred at Rheden, near De Steeg (6 February)

1946 — Buried at the ‘Groene Kerkje’ in Oegstgeest, in the existing grave of his son Dirk (27 February)

 

 

Calendar
Many questions are asked about Huizinga’s life. Did he ever meet Thomas Mann ontmoet? Or the English medievalist Eileen Power? Has he visited Russia? Or Bologna? When was he there? Who did he meet, when and where? And so on. For that reason the editors of the Briefwisselinghave drawn up a calendar, as an aid to annotate the letters and possibly date the letters without a date. This survey has been updated ever since, and now it is made available online to assist everyone interested in the life of Huizinga: Kalendarium van gebeurtenissen in het leven van Johan Huizinga.

The survey aims at completeness, which obviously can never be realised. Letters are not mentioned but have been listed in the Inventory of the Correspondence of Johan Huizinga.

Library
Huizinga had a modest library of his own, probably limited to what he could store in his study. The photograph on the homepage shows his study at his last address in Leiden, Van Slingelandtlaan 4. After his death his children divided his books among themselves, according to their interests or simply as a memento of their father. The majority of the books were sold to the Leiden antiquarian bookseller Vosmaer, who, according to a rumour, kept the books for a long time himself, and pasted his own bookplate in many of them. A book with Vosmaer’s bookplate may still today indicate that the book originally belonged to Huizinga. During and after his life, then, these books were dispersed.

Leiden University Libraries is attempting to locate Huizinga’s own copies and possibly to acquire them. We are grateful to Huizinga’s children, grandchildren, and antiquarian bookdealers and other benefactors for their help in achieving this. The recovered books you may find in the online catalogue of UBL. You can search the recovered books in the online catalogue of UBL, with their shelfmarks which all begin with HUIZIN, or use the complete shelfmarks in the list of recovered  books below. The items can only be consulted in the Special Collections Reading Room.

 

Huizinga als deelnemer aan de studentenmaskerade in Groningen in 1894 – Den Haag, Literatuurmuseum Huizinga as participant in the masquerade of the Groningen students in 1894.

Huizinga in Leiden (1926). Fotograaf onbekend – Leiden, UBL – Johan Huizinga in Leiden (1926). Photographer unknown.

  1. Portret door Oswald Wenckebach (1929). Tekening in potlood, verblijfplaats onbekend. Gereproduceerd naar: J. Huizinga, Cultuurhistorische verkenningen,Haarlem 1929. – Leiden, UBL – Portrait by Oswald Wenckebach (1929). Drawing in pencil. Whereabouts unknown.

Portret door Toon Kelder (1941). Olieverf op doek – Leiden, Academiegebouw, Senaatskamer – Portrait by Toon Kelder (1941). Oil on canvas.